Functies:
Regeling op basis van OpenTherm®
Bij warmte- en/of koudevraag wordt eerst de pomp aangezet. De afsluitermotor wordt dusdanig gestuurd dat de gemeten aanvoertemperatuur overeenkomt met de gewenste aanvoertemperatuur van de OpenTherm® thermostaat. Na beëindiging van de warmte- en/of koudevraag zal de pomp nog 5 minuten nadraaien.
Koeling
Zodra de kamerthermostaat omschakelt naar koeling, stuurt de NIBE VIKING MGC regelaar de mengafsluiter kortstondig open om te onderzoeken of er koud water achter de mengafsluiter aanwezig is. Is dit het geval, dan zal de regelaar de mengafsluiter op basis van de vraag aansturen. Is dit niet het geval, dan sluit de mengafsluiter en stopt de regelaar. De regelaar herhaalt deze test periodiek (standaard staat het interval ingesteld op 6 uur). Bij omschakeling naar verwarmen gebeurt het omgekeerde. Hierdoor is het mogelijk om de NIBE VIKING MGC regelaar toe te passen in een tweepijps systeem met collectieve changeover. Voor het omschakelen van verwarmen naar koelen en omgekeerd in meerpijps systemen kan de NIBE VIKING COM worden ingezet(1).
Regeling op basis van aan/uit kamerthermostaat
In combinatie met een aan/uit kamerthermostaat kan er geen gebruik worden gemaakt van de koelfunctie. Om overshoot te voorkomen en de regeling een rustig – en dus comfortabel – gedrag te geven, is een speciale functie ingebouwd die de toegestane aanvoertemperatuur geleidelijk laat oplopen bij warmtevraag. De pomp zal na beëindiging van de warmtevraag nog 5 minuten nadraaien.
Bescherming van pomp en klep tegen vastzitten
Indien er 24 uur lang geen warmte- of koudevraag is geweest, zal de klep kortstondig open en weer worden dicht gestuurd. Hierna zal de pomp gedurende 5 minuten draaien. Tijdens deze actie blijft de bewaking van de maximale aanvoertemperatuur actief.
Maximale aanvoertemperatuur
Door middel van een jumper op de print kan de maximale aanvoertemperatuur van het systeem hardwarematig worden ingesteld op 50°C of 90°C, afhankelijk van het afgiftesysteem. Een softwarematige instelling biedt daarnaast de mogelijkheid het systeem op elke andere gewenste temperatuur te begrenzen. Mocht het afgiftesysteem schade kunnen ondervinden van te hoge of te lage aanvoertemperaturen, dan dienen hiervoor aparte veiligheidvoorzieningen te worden getroffen.
Retourbewaking
Zodra de retourtemperatuursensor is aangesloten en de limiet is ingesteld, treedt de retourbewaking in werking. De retourbewaking is actief tijdens verwarmen en/of koelen. Hiervoor zijn aparte instellingen beschikbaar. Om een minimale doorstroming te garanderen, is de minimale klepstand instelbaar.